donderdag 29 oktober 2009
zaterdag 17 oktober 2009
vrijdag 16 oktober 2009
Er gaat (bijna) niets boven Groningen
Gebeurt er eens wat op astronomisch gebied in Nederland, zitten wij net in Noorwegen:
http://antwrp.gsfc.nasa.gov/apod/ap091015.html
Martijn
http://antwrp.gsfc.nasa.gov/apod/ap091015.html
Martijn
Noorderlicht!
Hehe, eindelijk heb ik ook voor het eerst in mijn leven Noorderlicht gezien. Ik had al diverse keren van anderen gehoord dat het weer te zien was, maar ondanks regelmatig omhoog kijken, was mij dat nog niet gelukt. In het Parijs van het Noorden, zoals Tromsø ook wel genoemd wordt, valt dat ook niet mee...
Gisteravond was het halfbewolkt. Tegen achten was ik op m'n fiets op weg naar de klimtoren, ik dacht eerst dat er een vliegtuig met landingslichten aan door de wolken vloog; tenslotte zitten we maar een paar kilometer van het vliegveld af en komen er dus regelmatig vliegtuigen over. Zo zag het er dus in eerste instantie uit: een rechte baan bleekwit licht tussen twee wolken. Alleen was de begrenzing van het licht veel scherper dan je bij vliegtuigverlichting zou verwachten. Het was niet het vocht in de lucht of de wolken die je licht zag, maar het licht zelf. Na enige tijd (een minuut?) begon de rechte baan licht opeens langzaam van vorm te veranderen; het werd een grote S-vorm. Dat hoort landingslicht natuurlijk niet te doen, en dus wist ik toen zeker: Noorderlicht. Ook draaide het geheel: eerst was de streep ongeveer oost-west, later werd dat noord-zuid. De ene sluier werden er een paar die naast elkaar lagen. Ook werd het licht wat feller, maar een kleur kreeg het niet, misschien vaag bleekblauw of -groen. Het geheel duurde een paar minuten. Later op de avond (op weg naar huis, en vanuit huis) heb ik niets meer gezien.
Martijn
Gisteravond was het halfbewolkt. Tegen achten was ik op m'n fiets op weg naar de klimtoren, ik dacht eerst dat er een vliegtuig met landingslichten aan door de wolken vloog; tenslotte zitten we maar een paar kilometer van het vliegveld af en komen er dus regelmatig vliegtuigen over. Zo zag het er dus in eerste instantie uit: een rechte baan bleekwit licht tussen twee wolken. Alleen was de begrenzing van het licht veel scherper dan je bij vliegtuigverlichting zou verwachten. Het was niet het vocht in de lucht of de wolken die je licht zag, maar het licht zelf. Na enige tijd (een minuut?) begon de rechte baan licht opeens langzaam van vorm te veranderen; het werd een grote S-vorm. Dat hoort landingslicht natuurlijk niet te doen, en dus wist ik toen zeker: Noorderlicht. Ook draaide het geheel: eerst was de streep ongeveer oost-west, later werd dat noord-zuid. De ene sluier werden er een paar die naast elkaar lagen. Ook werd het licht wat feller, maar een kleur kreeg het niet, misschien vaag bleekblauw of -groen. Het geheel duurde een paar minuten. Later op de avond (op weg naar huis, en vanuit huis) heb ik niets meer gezien.
Martijn
donderdag 8 oktober 2009
Venus, maar niet Saturnus en Jupiter
Gisterochtend was ik vroeg op. Het was nog steeds helder weer, dus tijd om even naar buiten te kijken. En ja hoor: Venus was mooi te zien.

Saturnus en Jupiter stonden toen dicht bij elkaar, en vanmorgen heel dicht bij elkaar, een stuk links van Venus en wat lager. Helaas niet te zien, waarschijnlijk nog net achter het huis van de overbuurman of de bergen aan de overkant van het dal. Morgen misschien weer een kans, maar de weersverwachting is niet gunstig. Helaas....
Martijn
Saturnus en Jupiter stonden toen dicht bij elkaar, en vanmorgen heel dicht bij elkaar, een stuk links van Venus en wat lager. Helaas niet te zien, waarschijnlijk nog net achter het huis van de overbuurman of de bergen aan de overkant van het dal. Morgen misschien weer een kans, maar de weersverwachting is niet gunstig. Helaas....
Martijn
zondag 4 oktober 2009
Maan en Jupiter, maar geen Noorderlicht
Gisteravond was het superhelder. Helaas was het ook volle maan:

Dat is samen met de lichtvervuiling van de grote stad genoeg om alleen maar de helderste sterren te kunnen zien. Net als in de randstad :-(
Jupiter was zeer laag in het zuiden te zien, met twee maantjes links en twee vlak bij elkaar rechts. Hier het plaatje uit SkyChart.

Merk op dat ik een spiegeltelescoop heb, en dat links en rechts (en onder en boven) dus gespiegeld zijn. De twee maantjes die ik vlak bij elkaar rechts zag staan, staan op bovenstaande plaatje (en in werkelijkheid) dus links van Jupiter: het zijn Europa en Io, de twee mooiste manen van Jupiter.
Ik heb ook nog een half uurtje naar boven gekeken of er noorderlicht te zien was, maar helaas....
Martijn
Dat is samen met de lichtvervuiling van de grote stad genoeg om alleen maar de helderste sterren te kunnen zien. Net als in de randstad :-(
Jupiter was zeer laag in het zuiden te zien, met twee maantjes links en twee vlak bij elkaar rechts. Hier het plaatje uit SkyChart.
Merk op dat ik een spiegeltelescoop heb, en dat links en rechts (en onder en boven) dus gespiegeld zijn. De twee maantjes die ik vlak bij elkaar rechts zag staan, staan op bovenstaande plaatje (en in werkelijkheid) dus links van Jupiter: het zijn Europa en Io, de twee mooiste manen van Jupiter.
Ik heb ook nog een half uurtje naar boven gekeken of er noorderlicht te zien was, maar helaas....
Martijn
zaterdag 19 september 2009
uit de Euroster van mei 2005
Vraag 4
Waarom heeft juist een wintermaand als februari 28 dagen gekregen, en waarom niet een zomermaand als juni of september?
Antwoord 4 (Martijn Bak)
De 28 dagen van februari hebben we te danken aan de Romeinen.
Bij hen begon het jaar in het voorjaar, op 1 maart.
Van oorsprong had het Romeinse jaar slechts 304 dagen. Deze kalender werd door Romulus ingevoerd in 753 v. Chr. (niet BC). Er waren slechts 10 maanden van 30 en 31 dagen, te beginnen bij maart (genoemd naar de Romeinse oorlogsgod Mars). Daarna kwamen april (zonnig, hangt samen met terugkeer lentezon), mei (genoemd naar Maia, de moeder van Mercurius), juni (Juno, de vrouw van oppergod Zeus), en daarna telden ze de maanden door tot 10. In de namen van september, oktober, november en december is dat nog steeds te horen. Doordat deze kalender maar liefst 61 dagen korter duurde dan een zonnejaar (ongeveer 365,25 dagen), was hij volkomen onwerkbaar: de seizoenen hielden in het geheel geen pas met de kalender.
Romulus' opvolger, Numa Pompilius, introduceerde in ongeveer 700 v. Chr. de elfde en twaalfde maand (januari en februari). Hierdoor kwam een jaar uit op 355 dagen, nog steeds veel te kort dus. Om dit te compenseren werden af en toe extra schrikkeldagen en maanden ingevoerd.
Dit systeem bestond tot Julius Caesar in 46 v. Chr. de Juliaanse kalender invoerde: een jaar kreeg 365 dagen en elke vier jaar werd een schrikkeldag ingevoerd. Vanaf nu begon het jaar op 1 januari. Er waren 12 maanden van afwisselend 31 en 30 dagen; alleen februari had maar 29 dagen (en 30 in een schrikkeljaar). De zevende maand (Quintilius = vijfde) werd naar Julius Caesar genoemd: juli.
Caesars opvolger keizer Augustus eigende zich de achtste (Sextilis = zesde) maand toe. Omdat deze maand maar 30 dagen had, en hij niet voor Caesar onder wilde doen, werd nog een extra dag van februari geleend; sindsdien heeft augustus 31 dagen en februari nog maar 28 dagen.
Omdat een zonnejaar niet precies 365,25 dag duurt, maar 11 minuten korter, ging ook de Juliaanse kalender naar verloop van eeuwen uit de pas lopen met de seizoenen. In de 16e eeuw was dat verschil al opgelopen tot 10 dagen. Tenslotte voerde paus Gregorius in 1582 de Gregoriaans kalender in: drie keer per 400 jaar werd 29 februari overgeslagen. Om het achterlopen van de kalender te compenseren dicteerde hij bovendien dat het dat jaar na 4 oktober gelijk 15 oktober zou worden.
Het duurde soms nog eeuwen voordat ook andere landen deze kalender invoerden. Dit leidde soms tot bizarre toestanden: zo voerde Rusland tot de revolutie nog de oude kalender: hierdoor kwam het keizerlijke Olympisch team in 1908 12 dagen te laat voor de spelen in Londen.
De Gregoriaanse kalender gebruiken wij vandaag de dag nog steeds.
Vraag 5
Met de kennis van de opbouw van het melkwegstelsel kunnen we aantonen dat we redelijkerwijze in het vlak van de schijf met sterren zitten. Hoe kun je dat bewijzen?
Antwoord 5 (Martijn Bak)
Eigenlijk hebben we zelfs geen voorkennis nodig van de opbouw van het Melkwegstelsel!
Door te kijken naar andere melkwegstelsels kun je namelijk zien dat melkwegstelsels vaak de vorm van een platte schijf of discus hebben. Dit zal dus redelijkerwijs ook wel gelden voor ons stelsel.
Dan is de vraag waar wij ons ongeveer bevinden in die schijf. Zitten we bij de "as" of juist meer aan de rand (bij de "velg")? En zitten we in het midden of aan de zijkant?
Als je op een donkere plaats naar boven kijkt, zie je een band van sterren: de Melkweg. Die ziet er ruwweg uit als één van onderstaande plaatjes.
Als we netjes in het midden van de melkweg zouden wonen, zien we het linkerplaatje: overal in de band van de melkweg zien we evenveel sterren. De melkweg vormt ongeveer een grootcirkel.
Het middelste plaatje laat de situatie zien als we min of meer aan de zijkant van de melkweg zouden wonen. De melkweg is dan geen grootcirkel, maar een kleinere cirkel of schijf.
Het rechterplaatje komt overeen met de situatie dat we bij de rand (de "velg") van de melkweg zouden wonen. Eén kant op kijkend (richting de "as") zien we veel sterren, de andere kant op juist weinig.
Helaas is het in Capelle aan den IJssel een beetje te licht om het verschil te zien.
[[ Sorry, de plaatjes kan ik niet meer vinden. Martijn ]]
Waarom heeft juist een wintermaand als februari 28 dagen gekregen, en waarom niet een zomermaand als juni of september?
Antwoord 4 (Martijn Bak)
De 28 dagen van februari hebben we te danken aan de Romeinen.
Bij hen begon het jaar in het voorjaar, op 1 maart.
Van oorsprong had het Romeinse jaar slechts 304 dagen. Deze kalender werd door Romulus ingevoerd in 753 v. Chr. (niet BC). Er waren slechts 10 maanden van 30 en 31 dagen, te beginnen bij maart (genoemd naar de Romeinse oorlogsgod Mars). Daarna kwamen april (zonnig, hangt samen met terugkeer lentezon), mei (genoemd naar Maia, de moeder van Mercurius), juni (Juno, de vrouw van oppergod Zeus), en daarna telden ze de maanden door tot 10. In de namen van september, oktober, november en december is dat nog steeds te horen. Doordat deze kalender maar liefst 61 dagen korter duurde dan een zonnejaar (ongeveer 365,25 dagen), was hij volkomen onwerkbaar: de seizoenen hielden in het geheel geen pas met de kalender.
Romulus' opvolger, Numa Pompilius, introduceerde in ongeveer 700 v. Chr. de elfde en twaalfde maand (januari en februari). Hierdoor kwam een jaar uit op 355 dagen, nog steeds veel te kort dus. Om dit te compenseren werden af en toe extra schrikkeldagen en maanden ingevoerd.
Dit systeem bestond tot Julius Caesar in 46 v. Chr. de Juliaanse kalender invoerde: een jaar kreeg 365 dagen en elke vier jaar werd een schrikkeldag ingevoerd. Vanaf nu begon het jaar op 1 januari. Er waren 12 maanden van afwisselend 31 en 30 dagen; alleen februari had maar 29 dagen (en 30 in een schrikkeljaar). De zevende maand (Quintilius = vijfde) werd naar Julius Caesar genoemd: juli.
Caesars opvolger keizer Augustus eigende zich de achtste (Sextilis = zesde) maand toe. Omdat deze maand maar 30 dagen had, en hij niet voor Caesar onder wilde doen, werd nog een extra dag van februari geleend; sindsdien heeft augustus 31 dagen en februari nog maar 28 dagen.
Omdat een zonnejaar niet precies 365,25 dag duurt, maar 11 minuten korter, ging ook de Juliaanse kalender naar verloop van eeuwen uit de pas lopen met de seizoenen. In de 16e eeuw was dat verschil al opgelopen tot 10 dagen. Tenslotte voerde paus Gregorius in 1582 de Gregoriaans kalender in: drie keer per 400 jaar werd 29 februari overgeslagen. Om het achterlopen van de kalender te compenseren dicteerde hij bovendien dat het dat jaar na 4 oktober gelijk 15 oktober zou worden.
Het duurde soms nog eeuwen voordat ook andere landen deze kalender invoerden. Dit leidde soms tot bizarre toestanden: zo voerde Rusland tot de revolutie nog de oude kalender: hierdoor kwam het keizerlijke Olympisch team in 1908 12 dagen te laat voor de spelen in Londen.
De Gregoriaanse kalender gebruiken wij vandaag de dag nog steeds.
Vraag 5
Met de kennis van de opbouw van het melkwegstelsel kunnen we aantonen dat we redelijkerwijze in het vlak van de schijf met sterren zitten. Hoe kun je dat bewijzen?
Antwoord 5 (Martijn Bak)
Eigenlijk hebben we zelfs geen voorkennis nodig van de opbouw van het Melkwegstelsel!
Door te kijken naar andere melkwegstelsels kun je namelijk zien dat melkwegstelsels vaak de vorm van een platte schijf of discus hebben. Dit zal dus redelijkerwijs ook wel gelden voor ons stelsel.
Dan is de vraag waar wij ons ongeveer bevinden in die schijf. Zitten we bij de "as" of juist meer aan de rand (bij de "velg")? En zitten we in het midden of aan de zijkant?
Als je op een donkere plaats naar boven kijkt, zie je een band van sterren: de Melkweg. Die ziet er ruwweg uit als één van onderstaande plaatjes.
Als we netjes in het midden van de melkweg zouden wonen, zien we het linkerplaatje: overal in de band van de melkweg zien we evenveel sterren. De melkweg vormt ongeveer een grootcirkel.
Het middelste plaatje laat de situatie zien als we min of meer aan de zijkant van de melkweg zouden wonen. De melkweg is dan geen grootcirkel, maar een kleinere cirkel of schijf.
Het rechterplaatje komt overeen met de situatie dat we bij de rand (de "velg") van de melkweg zouden wonen. Eén kant op kijkend (richting de "as") zien we veel sterren, de andere kant op juist weinig.
Helaas is het in Capelle aan den IJssel een beetje te licht om het verschil te zien.
[[ Sorry, de plaatjes kan ik niet meer vinden. Martijn ]]
Abonneren op:
Posts (Atom)